|
VOORBEREIDENDE TAKEN
Selectie
van het type vuur
Alvorens
te beginnen is de keuze waarvoor het vuur moet dienen van belang.
Het heeft geen nut een
vuur te bouwen als de omstandigheden of behoefte er niet naar zijn.
Verder, veiligheid speelt ook een rol, alsook de ecologische impact van vuur op
de omgeving.
a. Behoefte
= waarvoor het vuur eigenlijk moet dienen
Warmte
Een warmtevuur kan zowel collectief als individueel zijn.
Belangrijk is dat men
de hitte van het vuur zo optimaal benut door o.a. een goede ligging te kiezen en
het gebruik van hittereflectoren.
Een hittereflector is een verticaal scherm dat men achter het vuur bouwt met bv.
groene houtblokken welke men gaat bekleden met klei of modder (de bekleding
dient om te vermijden dat de reflector vuur vat).
De hitte wordt nu weerkaatst in een bepaalde richting.
Werk
Een werkvuur kan zowel collectief
als individueel zijn.
Meestal zijn werkvuren gespecialiseerd: koken van voedsel, roken van vlees,
smidse, oven voor het maken van houtskool…
Communicatie / Signalisatie
In principe is dit een collectief vuur, ze vuren moeten voldoende groot zijn om
effectief te zijn en vragen dus veel arbeid.
Een vuur kan gebouwd worden als communicatie / signalisatie met andere groepen
of individuen (cfr. vuurtoren of vuurbakens).
Overdag wordt het beste
resultaat bereikt met rook; door een
bestaand vuur te smoren met groene takken, bv. met sparren- of dennentakken,
krijgt men een goede rookontwikkeling.
’s Nachts zijn vlammen dan weer de manier om zich kenbaar te maken; men bouwt
een fel vuur door zacht hout (berk, den, spar…) fel op te stoken.
Fakkels zijn dan weer
ideaal om lokaal een bepaalde plaats verlichten of om te fungeren als kleine
lichtbaken.
Bescherming
Hoewel de meeste denken dat men zich moet beschermen met een groot vuur tegen
grote, wilde dieren, is dit eerder een naïeve opvatting.
In het wild levende dieren alsook de grote Europese roofdieren (wolven,
beren…) zijn van nature warrig tegenover elke menselijke aanwezigheid en
zullen niet geneigd zijn om holderdebolder een kampement binnen te treden, vuur
of geen vuur.
Evenwel als die dieren
bewust zijn dat mensen:
ten eerste een beperkt gevaar vormen (in natuurreservaten worden zij niet meer
intens gejaagd) en
ten tweede gerant staan voor een parate voedselvoorziening (door het achterlaten
van afval),
dan komen zij ongetwijfeld een kijkje nemen.
In dit geval zal een vuur hen ook niet echt afschrikken; dan is het maken van
metaalgeluiden de enige oplossing.
Echter, in de vrije
natuur zijn het de kleine beestjes waar men het meeste last mee heeft.
Vliegende insecten (vliegen, muggen…) kan men verjagen met rook; leg een natte
stronk of groene takken op het vuur voordat men gaat slapen.
Verse as kan men rond
de slaapplaats strooien, de geur houdt voor ongeveer 24 uur kruipende insecten
(mieren…) op afstand.
Is het voldoende
veilig, dan kan men vooraleer een kamp op te stellen eerst de plaats
platbranden.
De aanwezige bewoners zijn ofwel gedood ofwel gevlucht en de ruimte is
schoongemaakt van grassen, takken…
Hou
er rekening mee dat dit een zeer gevaarlijke oefening is en het zeker niet
aangeraden is om deze courant uit te voeren.
b. Beschikbaarheid van
brandstof
= welke
en hoeveel brandstof courant voorradig is
Een vuur kan enkel
blijven branden zolang er brandstof aan toegevoegd wordt.
Denk logisch na, is
brandstof schaars of vraagt de aanvoer ervan immens veel werk, vermijdt dan
intense vuren.
Niet alleen hout kan dienen als brandstof, zo kan men ook gedroogde dierlijke
uitwerpselen (koeien, paarden…), turf, kolen, diervet, beenderen… gaan
verbranden.
c. Duur
van het verblijf
= hoe permanent moet de
vuurhaard zijn
Hoe langer het
verblijf, hoe complexer men de vuurhaard kan maken.
Men kan bv. overwegen om dan ovens en smidsen te gaan bouwen. De voorziening van
brandstof dient ook aangepast te worden a rato van het verblijf;
eendagsverblijven vragen niet de hoeveelheden brandhout die een (semi-)permanent
verblijf nodig heeft.
Selectie
van het soort vuurhaard
Weet men welk
type vuur dat men wil, dan kan men hiervoor de meest geschikte
vuurhaard
gaan bouwen.
De vermelde vuurhaarden
zijn basistypen, men kan vrijuit verschillende soorten gaan combineren.
Altaarvuur
Dit is een constructie, welk zowel hoog als laag gebouwd kan worden, waardoor
men het rechtstreekse contact met de ondergrond vermijdt.
Hoewel het maken van
dit type vuur enige arbeid verlangt, het heeft wel enkele duidelijke voordelen,
vooral als men wat langer op eenzelfde plaats blijft of als men de plaats
ongeschonden wil achterlaten.
Natte ondergrond maakt het moeilijk om snel een vuur te maken, terwijl bij een
droge ondergrond (bv. heide) het gevaar bestaat dat het vuur zich ondergronds
gaat verspreiden.
Een altaarvuur is ook één van de
meest zichtbare vuren omwille van de hoogte; ze wordt dan ook gebruikt
als signalisatievuur die zowel licht als rook produceert.
Een altaar bouwt men
door bv. groene stammen naast elkaar te leggen (of eventueel aan mekaar vast te
sjorren) en vervolgens een dikke laag aarde erover te leggen. Dit zand moet zo weinig mogelijk humus ("zwarte grond") bevatten
(humus is nl. te brandbaar) en moet dik genoeg gelegd worden om de hitte
voldoende te dempen zodat deze niet doordringt tot het hout en de ondergrond.
Kuilvuur
Men graaft een kuil waarin men het vuur gaat stoken.
Bij natte ondergrond, is het maken van een altaarvuur in een kuil wel
aangewezen.
Dit is een ideaal vuur
voor plaatsen waar felle wind het maken en onderhouden van vuur te zeer
belemmert.
Daar de hitte gevangen wordt in de kuil, is deze vuurhaard zeer geschikt voor
het koken en braden van voedsel, maar minder interessant als warmtevuur.
De zichtbaarheid van dit vuur is beperkt.
Stenen ring
Rond het vuur plaatst men een ring van stenen.
Hierdoor beperkt men de uitbreiding van het vuur en biedt bescherming tegen wind
terwijl men toch nog voldoende persoonlijke warmte krijgt.
De zichtbaarheid van het vuur wordt ook hier enigszins beperkt.
Waarschuwing:
Gebruik NOOIT natte stenen
of rotsen uit waterlopen, beken, rivierbeddingen…!
Bij verhitting zullen ze gegarandeerd gewelddadig exploderen.
Stervuur
Een snel en efficiënt vuur bereikt men door hele of lange boomstammen in
stervorm te leggen.
Daar men namelijk niet langdurig moet hakken om houtblokken op maat te krijgen,
spaart men energie en tijd.
Sleutelgatvuur
Dit vuur, in de vorm van een sleutelgat, combineert een warmtevuur met een
kookvuur. In het ronde gedeelte
stookt men een normaal vuur, terwijl men in het smalle gedeelte de gloeiende
houtskool gaat verzamelen voor het braden/koken van voedsel.
Oven
Bepaalde gespecialiseerde taken vragen de bouw van een oven: vlees roken of
braden, smeedwerken… Deze vuren zijn enkel geschikt op permanente verblijven en/of als er voldoende
technische kennis aanwezig is.
Verantwoordelijkheden
Het maken van vuur is
een grote verantwoordelijkheid, respecteer dit ten allen tijden!
De verdeling van de verantwoordelijkheden gebeurt best door de leider/-ster van
de groep.
a. Werktaken
i.
collectief
Alle gemeenschappelijke vuren
moeten door de ganse groep onderhouden worden.
Evenwel voor een goede organisatie zal men bepaalde taken aan bepaalde personen
gaan toekennen: duid de sterkeren aan voor de meer fysieke taken, terwijl men de
zwakkeren aangepast, lichter werk geeft.
Gezien het sociale aspect van vuur is het aan te raden minstens 1
gemeenschappelijk vuur te maken (bv. om op te koken).
Zorg ervoor dat men geen personen uitsluit in het onderhouden van dit vuur (met
uitzondering van te zieke leden van de groep).
Maak iedereen duidelijk dat elk facet van het maken en onderhouden van vuur van
belang is, zelfs al lijken sommige taken meer of minder belangrijk in de ogen
van bepaalde mensen.
Materialen:
Om de nodige materialen
te verzamelen moeten er personen, al dan niet in ploegverband, uitgestuurd
worden voor:
- tondel en aanmaakhout (aansteken van het vuur)
- brandhout (a rato van de behoefte)
Klaarmaken van de
haardplaats:
Ondertussen kunnen er
op de kampplaats mensen zich bezig houden met de voorbereiding van de vuurhaard.
Dit houdt o.a. in de preparatie van de ondergrond en omgeving (bv. maken van
altaar, kuil…), controle van de wind richting…
ii.
individueel
Naast gemene taken
uitvoeren, zal elk lid in staat moeten zijn om ten allen tijde vuur te kunnen
maken.
Zo kan men o.a. verordenen dat iedereen van de groep steeds over goede tondel
moet beschikken…
Elk individueel vuur is begrijpelijkerwijs de verantwoordelijkheid van die
persoon, maar het onderhouden ervan mag niet ten kosten gaan van de
gemeenschappelijke vuren.
b. Veiligheid
Hoewel de beslissing
van hoe, waar en welke vuren te bouwen genomen wordt door de leider, het loont
te zeggen dat elk lid van de groep zijn/haar stem moet laten horen indien deze
meent dat de veiligheid van have en goed in gedrang komt.
Duid steeds een
veiligheidsverantwoordelijke aan, maar zorg er steeds voor dat iedereen de
veiligheidsvoorschriften kent en respecteert.
i.
inschatting
brandgevaar
Vooraleer men een vuur
maakt, is het inschatten van het potentieel brandgevaar van immens belang.
Stel dus voldoende
vragen, zoals:
Is de ondergrond te droog, is er ontvlambaar materiaal in de nabijheid (tenten,
struikgewas, droog gras…), zijn er momenten dat het vuur onbeheerd moet
achtergelaten worden, zijn er kinderen of andere niet-ingelichte personen in de
buurt…
ii.
ecologische
impact
Vuur steriliseert de
grond waarmee het in contact komt.
Dit maakt dat gedurende een langere tijd (12 -18 maanden) er een kale plek
zichtbaar is.
Om de omgeving niet te zeer te ontsieren, kan men het best met een altaarvuur
werken.
Een lang verblijf op
éénzelfde plaats, grote en/of intense vuren… dit alles vraagt veel
brandstof.
Als men niet doordacht te werk gaat, kan het ongebreideld stoken van vuren vrij
snel een omgeving kaalbranden.
Na het doven van het
vuur verstrooit men de as en zal men de overgebleven houtskolen ofwel meenemen
voor later gebruik ofwel verpulveren vooraleer het te verstrooien (houtskool
vergaat zeer langzaam).
iii.
treffen van gepaste maatregelen
Zorg steeds dat gepaste
veiligheidsvoorzieningen voorhanden zijn: vuurdovende middelen (bv. emmer met
water of zand), EHBO materiaal, telefoon en noodnummers…
Doof het vuur steeds na
het beëindigen van de activiteit; bij voorkeur gebruikt men hiervoor water,
eventueel ook zand.
Denk eraan dat houtkool
van binnen nog kan gloeien en dat de ondergrond ook lang hitte vasthoudt, wat
later tot spontane ontbranding kan leiden.
TECHNISCHE
ASPECTEN
Anatomie
van vuur
Vuur bestaat uit drie 3
elementen die steeds aanwezig moeten zijn om tot een goed resultaat te komen,
nl. zuurstof – brandstof – ontsteking.
In dit opzicht is ook
de opbouw van de haard van belang: i.p.v. brandstof gewoon op mekaar te gooien in de hoop dat het vuur zal
(blijven) branden, is het toch aangewezen om, zeker bij primitief vuur maken,
doordacht te werk te gaan.
De beste opbouw van het
vuur is de wigwam, i.e. men stapelt de brandstof in de vorm van de gekende
Indiaanse tent.
De wigwam garandeert namelijk dat er steeds voldoende luchtcirculatie is en dat,
bij het opeenstapelen, men het vuur niet smoort.
Dit is vooral
belangrijk bij het opstarten daar de vuurhaard mooi en geconcentreerd van vorm
blijft zodat men efficiënt van de hitte kan gebruik maken.
a.
Zuurstof
De toevoer van zuurstof geeft
de vlam haar kracht.
Te weinig en men bekomt geen goede verbranding wat leidt tot sterke
rookontwikkeling, met gevaar voor uitdoving.
Teveel en men bekomt een te snelle verbranding met als gevolg dat het vuur te
heet wordt en te veel brandstof gaat verbruiken.
Is de vlam niet voldoende groot, kan deze door teveel zuurstof uitgedoofd
worden, zoals het uitblazen van een kaars.
Door de luchttoevoer te regelen, bekomt men dus een snelle of trage verbranding;
dit is afhankelijk van de functie van het vuur dat men nastreeft.
Bij het aansteken is
het nodig om zo snel mogelijk voldoende hitte te genereren zodat men het vuur
vlot van klein naar groter materiaal kan voorzien.
Stevig blazen of aanwakkeren van de tondel en aanmaakhout is cruciaal.
Eenmaal dat de vlammen voldoende greep hebben, kan men de zuurstoftoevoer zijn
vrije loop laten gaan.
b.
Brandstof
Klein, fijn materiaal
heeft een lagere verbrandingsgraad dan groot, dik materiaal; hetzelfde geldt
voor droog versus vochtig materiaal.
Het is dus logisch dat men een vuur opbouwt met eerst klein en droog materiaal
vooraleer men groter en eventueel vochtiger materiaal eraan toevoegt.
Zo onderscheidt men 3
soorten brandstof, elk met hun specifieke graad van ontbranding en functie.
i.
tondel
= primordiaal materiaal dat de initiële ontsteking moet vasthouden
Dit moet zeer droog en fijn materiaal zijn, daar het in staat moet zijn om te
ontbranden bij de minste ontsteking. Tondel kan van diverse origine zijn: fijne vogelnestjes, vogelveertjes, mossen,
naaldspelden, dor gras, rietdons, vermolmd hout, tondelzwam…
ii. aanmaakhout
= secundair materiaal dat de vlam van de tondel doet opleven
Weerom droog materiaal, maar iets grover van structuur om de vlam groter te
maken. Aanmaakhout zijn bij voorkeur droge, kleine / dunne takjes van zachte, eventueel
harshoudende houtsoorten. Selecteer staand dood
hout, i.e. dorre takken die nog aan de boom hangen.
Dood hout dat op de grond ligt, kan te vochtig zijn om te gebruiken als
aanmaakhout.
Goed aanmaakhout zijn berkentwijgjes, dennetakjes, dennenappels…
In latere fase kunnen iets dikkere takjes toegevoegd worden zodat men een hogere
graad van ontbranding bekomt.
iii. brandhout
= materiaal dat het vuur permanent aanstookt
Eenmaal een goede, hete vlam kan men grotere takken toevoegen.
Bij voldoende hitte mag de brandstof zelfs nog wat groen of vochtig zijn.
Afhankelijk van het type vuur kan men hard of zacht hout gebruiken.
c.
Ontsteking
Elk materiaal heeft zijn eigen graad van ontbranding, zijnde een externe
hittebron.
Hou hiermee rekening bij de opbouw van het vuur:
eerst klein, fijn materiaal – pas later grovere takjes.
Ontsteking kan van diverse origine zijn, bv. van chemische of elektrische
oorsprong.
Wij concentreren ons in deze cursus op ontsteking door frictie (vuurboog) en
vonk (vuursteen).
Gezien de ontsteking die wij creëren relatief beperkte hitte levert, dient de
tondel zeer droog te zijn.
VuurTips
Om een vonk of gloeiend
zagemeel te vangen en te laten ontbranden, is zeer droge en fijne tondel nodig.
Zelfs vochtig weer zal tondel minder effectief maken; zulk droog materiaal trekt
nu eenmaal zeer snel vocht aan.
Zorg bij
het verzamelen van tondel dat zeer droge tondel niet gecontamineerd wordt door
tondel die iets vochtiger is.
Hou deze laatste gescheiden om te laten drogen voor toekomstig gebruik.
Zorg er
ook voor dat de ondergrond voldoende droog is en dat tondel nooit in contact
komt met natte of klamme voorwerpen.
Men kan dit bekomen door tondel bv. op een stuk droge boomschors te leggen,
i.p.v. op de naakte grond.
”Nest” tondel in wat dun aanmaakhout; dit beschermt het en zal de initiële
vlam onmiddellijk verder van brandstof voorzien.
Maak de tondel
“wollig” door verschillende materialen dooreen te mengen, zodoende heeft men
meer kans om de vonkjes te vangen.
Geschikte tondel dat vrij vlot te vinden is:
- donsveren van vogels, eenden, ganzen…
- verlaten vogelnesten (= quasi kant en klare tondel)
- dorre, droge bladeren en grassen
- gedroogde mossen
- schilfers van de berkenboom en dorre, gekneusde dennennaalden (beiden steeds
interessant omdat men natte exemplaren kan droogvegen)
- rietdons (uitstekend)
- droge paddestoelen en houtzwammen (verkleind of verpulverd)
- vermolmd hout (droog en verpulverd)
- …
Geschikte tondel om zelf te maken:
- verkoold linnen
- houtskool (verpulverd)
Houtskool en verkoold linnen worden op dezelfde manier gemaakt, namelijk door
verbranding met onvoldoende luchttoevoer. Dit maakt dat het hout of de linnen
niet de mogelijkheid hebben om te ontbranden maar dat het materiaal verkoold.
Eenmaal wanneer de vonk
zich vastgrijpt in de tondel, controleer je de luchtaanvoer door er gepast op te
blazen of af te schermen van te hevige wind.
Blaas gelijkmatig en
vrij krachtig op de gloeiende embers en dit steeds in de richting van de bulk
van de tondel.
Blaast men niet in de richting van de tondel dan zal de vlam vrij snel zonder
brandstof vallen en uitdoven.
Maak gebruik van de
heersende windrichting; positioneer je rug naar de wind toe, dit maakt dat je
lichaam de vonken voldoende beschermt tegen te hevige luchtaanvoer.
Eenmaal de vlam
gesetteld, kun je dan de wind gebruiken om het vuur verder aan te wakkeren.
Wees georganiseerd
vooraleer je aan het bouwen van een vuur begint:
hou steeds voldoende tondel en aanmaakhout binnen handbereik.
Laat het vuur nooit onbeheerd achter totdat het stevig brandt, anders loopt men
de kans dat het vuur uitdooft vooraleer men er gepast hout kan aan toevoegen.
Naar mate het vuur heter wordt, past men de brandstof aan, i.e. voeg er
stelselmatig steeds grotere takjes aan het vuur toe.
Het gevaar bestaat dat men het vuur smoort als men te snel, te groot aanmaakhout
er gaat aan toevoegen.
Blijf steeds de
luchttoevoer controleren: ook aanmaakhout moet soms aangewakkerd worden.
Het aanmaakhout
gebruikt in de initiële fase moet zijn:
- zeer droge, dorre takken
- initieel klein en fijn van structuur, later iets groffer
- bij voorkeur zacht hout (berk…), eventueel harshoudend (den…)
- gebruik enkel staand dood hout
Dorre takken die nat aanvoelen, kunnen ontdaan worden van de bast en/of
buitenste laag; binnenin zal het hout meestal droog genoeg zijn.
Stockeer nat hout vlak
bij het vuur, liefst onder een afdakje, zodat het kan drogen.
Pas als het vuur heet genoeg, voegt men er brandhout aan toe.
De keuze van het hout
is hier ook van belang.
Hard hout geeft minder warmte maar brandt langer en geeft goede houtskool
(ideaal voor braden van voedsel).
Zachter hout geeft een intense hitte, maar dit slechts kortstondig.
Harshoudende soorten geven een zeer goede hitte maar hebben het nadeel dat zij
durven spatten (brandgevaar).
Voor het roken of
braden van voedsel gebruikt men best enkel hardhout; mijd in ieder geval
harshoudende houtsoorten daar ze vlees niet alleen een vieze smaak geven, ze
conserveren het voedsel ook niet naar behoren.
Bij het braden van
vlees kan men aan het vuur ook enkele blokken bloesemdragende fruithout (vooral
appel en peer) toevoegen; dit geeft een prettige smaak aan het vlees.
Vlees roken doet men
bij voorkeur met eik of beuk.
Denk eraan, hard hout
vraagt meer energie bij het kappen ervan dan zachthout.
Harde houtsoorten:
eik, beuk, noot, taxus,
hulst, meidoorn…
Zachte houtsoorten:
berk, olm, populier…
en alle naaldbomen zoals den, spar, ceder, lork…, deze zijn tevens ook harshoudend.
Wees echter steeds
creatief, naast hout kan men ook andere materialen gaan verbranden: gedroogde
dierlijke uitwerpselen, turf, kolen, diervet, beenderen…
Geschikt hout vinden, is in ons gematigd klimaat niet zo’n groot punt, maar
dit kan van belang zijn in streken waar geschikt hout moeilijk of niet voorradig
is.
Evenwel bestaat er het gevaar dat men ondoordacht te werk gaat en een omgeving
gaat kaalbranden.
Vermijd om te grote
vuren te gaan bouwen; dezen zijn niet efficiënt en verbruiken in verhouding
veel te veel brandstof.
Bouw daarom liever meerdere, kleine vuren.
Het steeds opnieuw
maken van vuur is altijd een vermoeiende aangelegenheid; daarom is het
aangewezen om, indien mogelijk, ervoor te zorgen dat men over kant-en-klaar vuur
beschikt, i.e. smeulend houtskool.
Leg voor het slapengaan
een paar blokken hardhout of groen hout op het vuur, dit zorgt ervoor dat men
’s morgens nog goede gloeiende houtskool heeft om snel het vuur terug op te
stoken.
Een goede
gloeiende-houtskolen-transportcontainer kan men maken door grote houtzwammen te
laten drogen.
Eenmaal droog maakt men er in de onderkant (sporendoos) een gat van ongeveer ¾
van de dikte diep en ongeveer ½ van de breedte in het rond.
Hierin kan men de houtskolen leggen en veilig vervoeren.
Maak in de rand drie gaten waar men draagtouwtjes bevestigd zodat men de zwam
vrij vlot kan meedragen.
Technieken
Vuurboog
De vuuboog is een arbeidsintensieve vorm van vuur maken d.m.v. frictie.
Een hardhouten dril wordt door een boog handmatig aangedreven om in een
zachthouten basis gloeiend zagemeel te produceren.
Dit gloeiend materiaal wordt onderaan de basis opgevangen in fijne tondel.
Als men de techniek
goed beheerst en over voldoende geschikt materiaal kan beschikken, is de
succesratio vrij hoog.
Materiaal
In principe kan men met
beperkte middelen steeds vuur maken; het nodige materiaal is vrij goed te vinden
in de natuur met misschien geschikt touw als uitzondering.
Het punt van de dril
dat contact maakt met de basis moet eerder bot zijn (goede frictie) terwijl het
andere uiteinde eerder spits moet zijn (verminderde wrijving).
Het spitse punt kan men nog eens extra invetten met bv. oorsmeer.
De dril wordt van boven
naar beneden gedrukt met een stuk hout of steen waarin een gat gemaakt is.
Let erop dat de dril
bovenaan niet te veel speling heeft maar tegelijkertijd dat hier geen overbodige
wrijving ontstaat (wat overbodige verspilling van energie is).
In de basis vormt men
met een mes een initieel boorgat, welk niet te groot en niet te ver van de rand
van het hout verwijdert is.
Een V-inkeping aan de
rand van het gat zorgt ervoor dat het gloeiende materiaal op de tondel valt.
Dril en basis zijn
beiden van droog, stevig, dood - maar niet rot - hout gemaakt.
De boog is bij voorkeur
van soepel, groen hout (o.a. hazelaar) dat voldoende buigkracht heeft om wat mee
te geven als men het touw opspant.
Een natuurlijk gevormde
boogvorm geniet de voorkeur over een rechte tak.
Zorg dat het touw strak
genoeg is om goede grip te hebben op de dril.
Eventueel kan je de spanning opvoeren door het touw vast te grijpen tijdens de
zaagbeweging.
Touw te los gespannen
en de dril slipt; te strak en het touw zal te snel breken.
Techniek
Deze techniek vergt
zowel kennis als spierkracht; enkel oefening baart hier kunst.
Oefen niet teveel druk
uit op de dril; deze moet vrij soepel kunnen ronddraaien.
Werk met regelmatige zaagbewegingen, in het begin langzaam, naar mate men meer
rook ziet, voer je de intensiteit op.
Men bereikt meer met langzame maar continue bewegingen dan met hevige, korte
stoten.
Rook zal in principe
vrij snel zichtbaar zijn maar dit is geen maatstaf dat er reeds voldoende
gloeiende zagemeel op de tondel gevallen is; controleer visueel of je gloeiend
materiaal zit liggen.
Blaas nu voorzichtig op
het materiaal, de tondel zal langzaam ontbranden.
Vuursteen en staal
Een vrij arbeidsarme vorm van vuur
maken d.m.v. vonken te slaan.
Door silex (vuursteen) of kwarts aan te slaan met hard staal worden vonken gecreëerd
die men op de tondel probeer te vangen.
Over het algemeen is de
slaagkans relatief laag; enkel als men voldoende vonken kan produceren en men
vervolgens deze goed kan opvangen in zeer, zeer droge tondel kan men vuur maken.
Natuurlijk tondel is
soms niet geschikt genoeg om vuur te maken; verkoold linnen, i.e. vooraf
geprepareerde tondel, daarentegen geeft wel goede slaagkansen.
Materiaal
Men kan niet
improviseren met het materiaal, zijnde men moet steeds vooraf over staal en
silex beschikken.
Bovenop, de tondel moet
nog droger en fijner zijn dan dewelke dat men kan gebruiken bij de vuurboog.
Een goede raad is
steeds verkoold linnen bij te hebben dat men kurkdroog houdt.
Een goedgevormde silex
is zeer handig daar men dan weet waar de vonken zullen vliegen; bij een willekeurig
gevormde steen is het steeds raden waar de vonken naar toe gaan.
Techniek
De eenvoud zelve, sla
met het staal zodanig op de vuursteen zodat er vonken af springen, die men
probeert op te vangen in de tondel.
Daar deze vonken
beperkte hitte dragen, is het nodige om voldoende vonken te maken en vervolgens
deze efficiënt te gaan gebruiken.
Nogmaals, de toestand van de
tondel is hierbij van cruciaal belang!
SLOTBESCHOUWING
Goed nieuws: primitief vuur maken is geen aangeboren talent maar wel een
aangeleerde vaardigheid!
Iedereen kan dus leren vuur maken met primitieve middelen.
Evenwel is het nodig om
bepaalde technieken onder de knie te krijgen en vereist het een goed inzicht in
wat de omgeving aan mogelijkheden heeft.
Vuur maken op een
mooie, droge zomerdag is heel wat anders dan wanneer je dit moet doen op een
verzopen decembernacht.
Belangrijk is dus veel
oefenen en experimenteren met diverse technieken en materialen.
De zaken hierboven beschreven zijn enkel goed als leidraad; ontdek voor jezelf
wat wel goed werkt en wat minder functioneert.
Denk
eraan, verlies nooit de veiligheid uit het oog en
respecteer altijd de natuur en uw medemens.
|